Cambridge IGCSE Dutch - First Language 0503 — 2009 May/June Paper 1 · Variant 1
0503/11/M/J/09 · 50 marks · ≈56 min
The question paper and its mark scheme, free to read here and free to download. This is Cambridge’s own paper, exactly as it was sat.
Question paper8 pages








Mark scheme6 pages
Answers below. Sit the paper first if you are practising.






Paper as text
Question paper, page 1
This document consists of 5 printed pages and 3 blank pages. SP (NF) T76187/2 © UCLES 2009 [Turn over UNIVERSITY OF CAMBRIDGE INTERNATIONAL EXAMINATIONS International General Certificate of Secondary Education READ THESE INSTRUCTIONS FIRST If you have been given an Answer Booklet, follow the instructions on the front cover of the Booklet. Write your Centre number, candidate number and name on all the work you hand in. Write in dark blue or black pen. Do not use staples, paper clips, highlighters, glue or correction fluid. Answer all questions. You should pay attention to punctuation, spelling and handwriting. At the end of the examination, fasten all your work securely together. The number of marks is given in brackets [ ] at the end of each question or part question. LEES EERST DE VOLGENDE INSTRUCTIES Als je een antwoordboekje/antwoordvel hebt gekregen, volg dan de instructies op de voorzijde. Schrijf je schoolnummer, je kandidaatnummer en je naam op al het werk dat je inlevert. Schrijf met een blauwe of zwarte pen. Gebruik geen nietjes, paperclips, markeerstiften, lijm of correctievloeistof. Geef antwoord op alle vragen. Let op spelling, leestekens en handschrift. Maak al je werk aan elkaar vast, als je klaar bent met het examen. Het te behalen aantal punten staat tussen haakjes [ ] aan het einde van elke vraag of deelvraag. * 3 2 9 1 7 1 6 6 0 8 * FIRST LANGUAGE DUTCH 0503/01 Paper 1 Reading May/June 2009 2 hours Additional Materials: Answer Booklet/Paper www.XtremePapers.com
Question paper, page 2
2 0503/01/M/J/09 © UCLES 2009 Lees de volgende tekst aandachtig door en beantwoord vervolgens vraag 1. Tekst 1 Stilte Toen ik mijn ogen weer opende, merkte ik dat de hele coupé sliep. Het meisje tegenover me, met haar niet onaardig gezicht maar rouwige nagels, zat nog met haar breiwerkje in de hand. Het rustte nu roerloos – in zover iets ooit zonder beweging kan zijn in een rijdende trein – op de smoezelige zakdoek in haar schoot. Aan de rood gestifte pruillippen van het kind bemerkte ik een nog niet weggelikte chocoladevlek. De jongeman in zijn schelle lentepak naast haar zat nu tegen haar aangeleund. Zijn hoofd knikkebolde en raakte soms haar schouder. Maar nu trok ze zich niet meer terug, zoals ze dat gedaan had toen hij voor de eerste maal was ingedut. Ik zat nog steeds in mijn hoek gekneld, met mijn rug naar de locomotief, op de eerste bank aan die kant van de wagen. Vanwege de deur zijn de banken daar minder breed. In het station had ik er een hele tijd alleen op gezeten, terwijl de coupé langzaam volliep. De reizigers verkozen blijkbaar die smalle plek niet met mijn vrij zware figuur te moeten delen. Toen, op het laatste ogenblik, was een andere forse heer opgestapt, die elders geen vrije zit meer had kunnen krijgen. Zo bekleedden we ten slotte met twee zwaarlijvigen dat magere hout. De andere reizigers, die ik slechts gedeeltelijk kon zien, vanwege de hoge houten ruggensteunen tussen de banken, bleken eveneens in slaap gedompeld. Dat bood wel een vermakelijke maar toch enigszins verrassende aanblik. Toch gaf het mij een gevoel van vertrouwdheid dat voortkwam uit het feit dat ik de meeste gezichten herkende van voordat ik in slaap was gedommeld. Het was ondertussen schemerig geworden en ik verwonderde mij dat de schemer al zo vroeg was begonnen. Ik schrok even. Kon het zijn dat ik slapend mijn station was voorbijgereden? Ik drukte mijn gezicht tegen het raam, na er met mijn verstijfde arm een plekje van te hebben schoongewreven. Ik meende het landschap wel te herkennen; het kwam me in ieder geval vertrouwd voor, met zijn velden, akkers en weiden, die zo mooi glooiden. Onze coupé bleef slapen, binnen de bewasemde ramen, waarachter het alsmaar duisterder werd. Schommelend reed de trein steeds zijn snelle, gedempt bruisende vaart. Bovendien kon ik het in mijn folterhoek niet langer uithouden: mijn hele lichaam voelde smartelijk doof. Ik begon me zo goed als het ging overeind te werken. De heer, niet meer door mij gesteund, begon naar de kant van het raam te zakken. Ik probeerde hem met mijn ene hand tegen te houden, terwijl ik met de andere mezelf vastgreep aan het bagagenet boven het meisje en de jongen in het meipak. Ik kon echter onmogelijk in de warwinkel van de benen van mijn reisgenoten, een plaatsje vinden om zelf mijn voeten behoorlijk neer te zetten. Om mijn evenwicht te bewaren, moest ik me er met ruw geweld een weg doorheen banen. Niemand werd echter wakker. Ik stond nu in het gangpad dat door het midden van het rijtuig loopt, tussen de zitplaatsen door. Zo overzag ik de hele coupé. Hoewel het erg duister was geworden, zag ik in één oogopslag dat iedereen zonder uitzondering sliep. Ook uit de donkerste hoek hoorde ik niet het minste gerucht van stemmen het eentonige geruis van de rijdende trein verbreken. Ik begon dat opeens wel zonderling te vinden. 5 10 15 20 25 30 35 40
Question paper, page 3
3 0503/01/M/J/09 © UCLES 2009 [Turn over Beantwoord vraag 1 in je eigen woorden. 1 (a) Geef een korte beschrijving van het meisje in alinea 1. [2] (b) Waarom gaan de andere reizigers niet naast de ik-figuur zitten? [1] (c) Leg uit waarom de schrijver dacht dat hij zijn station voorbij gereden was. [1] (d) Wat bedoelt de schrijver met ‘bewasemde ramen’ (regel 27)? [2] (e) Waarom gebruikt de schrijver het woord ‘folterhoek’ (regel 29)? [2] (f) Beschrijf de problemen die de schrijver ondervindt bij het opstaan (regel 31–36). [3] (g) Omschrijf de volgende woorden of zinsdelen: (i) schelle lentepak (regel 5–6) [1] (ii) knikkebolde (regel 6) [1] (iii) vrije zit (regel 14) [1] (iv) niet het minste gerucht van stemmen (regel 40– 41) [1] (h) Waarom zou je kunnen zeggen dat de laatste zin (‘Ik moest ... horen spreken’) een passend slot is voor dit verhaal? [2] (i) Geef weer hoe de emoties van de schrijver in de loop van het verhaal veranderen. [3] [Totaal = 20 punten voor inhoud + 5 punten voor taalgebruik = 25] Waren we dan toch mijn station al voorbij of zat ik op een verkeerde route, in een of andere nachttrein naar het buitenland? Er was plotseling iets huiverigs over mij gekomen: ik voelde me ineens zo neerslachtig, zo eenzaam temidden van al die slapenden. Een groter, dringender behoefte kwelde mij nu. Ik moest zo spoedig mogelijk iemand ontmoeten, die niet sliep: ik wilde weer in open ogen kunnen kijken, een levende mond horen spreken. 45
Question paper, page 4
4 0503/01/M/J/09 © UCLES 2009 Lees nu tekst 2 aandachtig door en beantwoord vervolgens vraag 2. 5 10 15 20 25 30 35 40 Tekst 2 Stilteverbod Het was aangenaam rustig in het stiltecompartiment van de trein. Ik kon mijn oren niet geloven. Ik keek om me heen en begreep waarom: de spits was voorbij, er zat maar één medepassagier in dit deel. Zou het dan toch nog mogelijk zijn - een boek lezen in de trein? Voorzichtig diepte ik het boek uit mijn tas op. ‘Ja, met Roland hier’, zei de medepassagier luid. Ik duwde mijn boek weer terug. De krant zou misschien nog nét kunnen. Het hing er vanaf hoelang Roland zou bellen. Juist omdat wij de enige passagiers waren, vulde zijn welluidende stem de kleine ruimte tot in alle hoeken en gaten. Moest ik er iets van zeggen? Ach, laat maar even. Roland kon het misschien ook niet helpen, hij zou de pictogrammen van het stilteverbod wel over het hoofd hebben gezien. De Nederlandse Spoorwegen heeft ze zó onopvallend boven de ramen aangebracht dat de ene helft van de reizigers voortdurend de andere helft verwijtend aankijkt. Pas als je doelbewust zoekt, vind je ze: een hoofdje met een wijsvinger voor de lippen en ernaast een mobiele telefoon met diagonale rode lijn erdoorheen. Laatst was ik nog zelf betrapt door een medepassagier, terwijl ik met een collega zat te praten. ‘Wilt u verderop gaan zitten, heren?’ We keken boven het raam. Hij had gelijk. Roland had inmiddels zijn tweede gesprek afgesloten en stond op het punt een derde nummer in te toetsen. ‘Sorry’, zei ik, ‘ik wil niet kinderachtig zijn, maar het is beter dat u elders gaat zitten.’ Een goede zin, al zeg ik het zelf, niet blafferig, ook niet nederig, maar net er tussenin. Je hebt van die dagen dat elke zin óf als een dolk óf als een dweil je mond verlaat, maar vandaag was ik op dreef. Roland, een jonge man nog, keek verbaasd op. ‘Dit is toch geen stiltedeel?’ Ik wees op de pictogrammen. ‘O’, zei hij, ‘ik dacht dat dat tekentje alleen betekent dat je je telefoon niet mag laten overgaan.’ ‘Nee’, zei ik met dat heerlijke gevoel wanneer je zeker weet dat je gelijk hebt, ‘kijk maar naar dat andere teken: zelfs gewoon praten mag eigenlijk niet.’ Hij keek nog eens goed en zei toen: ‘U heeft gelijk.’ Vervolgens borg hij zijn mobiel op en pakte ook een boek. Het begon hier op een leeskring te lijken. Eind goed al goed, en Roland en ik leefden nog lang en gelukkig? Bij het volgende station stapte een andere reiziger binnen. Hij ging een paar stoelen achter mij zitten en begon meteen te bellen. Opeens was goede raad onbetaalbaar duur. Ik voelde me machteloos gevangen tussen twee vormen van belachelijkheid. Moest ik nu de hele reis voor politieagent spelen? Opstaan, met de handjes op de buik trommelen en bijna neuriënd zeggen: ‘Wat zijn wij van plan? Wij zitten hier toch in een stiltegedeelte?’ Ik kon het doen, maar ik wist nu al dat ik mezelf na afloop intens zou haten. Maar het alternatief – nietsdoen – zou mij in de ogen van Roland degraderen tot een slapjanus. Ik aarzelde. Toen hoorde ik een groepje jongens binnenkomen. Ze bleven op het balkon staan en lieten een radio luid schallen. Conducteurs waren weer nergens te bekennen, die hebben tegenwoordig met de machinist een eigen leeskring. Daar zat ik dan. Don Quichot van de stilte? De slag om de stilte in de trein is allang verloren. Ik nam mijn verlies en ging op zoek naar een leuke column in de krant.
Question paper, page 5
5 0503/01/M/J/09 © UCLES 2009 2 Schrijf een tekst waarin je de overeenkomsten en verschillen tussen tekst 1 en 2 met betrekking tot de inhoud samenvat. Vestig daarbij vooral de aandacht op het thema stilte en de gevoelens van de schrijvers. Gebruik 200–250 woorden. [Totaal = 15 punten voor inhoud + 10 punten voor taalgebruik = 25]
Question paper, page 8
8 0503/01/M/J/09 BLANK PAGE Permission to reproduce items where third-party owned material protected by copyright is included has been sought and cleared where possible. Every reasonable effort has been made by the publisher (UCLES) to trace copyright holders, but if any items requiring clearance have unwittingly been included, the publisher will be pleased to make amends at the earliest possible opportunity. University of Cambridge International Examinations is part of the Cambridge Assessment Group. Cambridge Assessment is the brand name of University of Cambridge Local Examinations Syndicate (UCLES), which is itself a department of the University of Cambridge.
Mark scheme, page 1
UNIVERSITY OF CAMBRIDGE INTERNATIONAL EXAMINATIONS International General Certificate of Secondary Education MARK SCHEME for the May/June 2009 question paper for the guidance of teachers 0503 FIRST LANGUAGE DUTCH 0503/01 Paper 1 (Reading), maximum raw mark 50 This mark scheme is published as an aid to teachers and candidates, to indicate the requirements of the examination. It shows the basis on which Examiners were instructed to award marks. It does not indicate the details of the discussions that took place at an Examiners’ meeting before marking began, which would have considered the acceptability of alternative answers. Mark schemes must be read in conjunction with the question papers and the report on the examination. • CIE will not enter into discussions or correspondence in connection with these mark schemes. CIE is publishing the mark schemes for the May/June 2009 question papers for most IGCSE, GCE Advanced Level and Advanced Subsidiary Level syllabuses and some Ordinary Level syllabuses. www.XtremePapers.com
Mark scheme, page 2
Page 2 Mark Scheme: Teachers’ version Syllabus Paper IGCSE – May/June 2009 0503 01 © UCLES 2009 Question 1 • 20 marks will be available for Reading: these will be awarded according to a detailed mark scheme written specifically for each question paper. • 5 marks will be available for Writing (see Accuracy of Language table on page 4). Tekst 1: De stilte (a) Geef een korte beschrijving van het meisje in alinea 1. [2] Het is een knap meisje maar ze ziet er een beetje vies uit. Ze is erg opgemaakt en creatief. Ken 2 punten toe voor tenminste 2 soortgelijke beschrijvingen. Ken geen punten toe voor letterlijke aanhaling van ‘onaardig gezicht, rouwige nagels en rood gestifte pruillippen’. (b) Waarom gaan de andere reizigers niet naast de ik-figuur zitten? [1] De ik-figuur is nogal gezet en hij laat weinig ruimte voor een andere passagier over op de bank. of De ik-figuur is dik en daarom is er niet genoeg plaats voor iemand anders. Ken 1 punt toe voor een soortgelijke verklaring. (c) Leg uit waarom de schrijver dacht dat hij zijn station voorbij gereden was. [1] Door de schemer denkt de schrijver dat het later is en zodoende denkt hij dat hij het station gemist heeft. of Doordat het buiten al schemert, denkt de schrijver dat het later is en dat hij daarom het station heeft gemist. Ken 1 punt toe voor een soortgelijke verklaring. (d) Wat bedoelt de schrijver met ‘bewasemde ramen’ (regel 27)? [2] De ramen zijn beslagen. of Er zit condens op de ramen. De kandidaat drukt in zijn antwoord uit dat men niet door de ramen kan kijken. Ken 2 punten toe voor soortgelijke verklaringen. (e) Waarom gebruikt de schrijver het woord ‘folterhoek’ (regel 29)? [2] Zijn hele lichaam doet pijn vanwege de manier waarop hij zit. of Zijn hele lichaam doet pijn omdat hij te weinig ruimte heeft. Ken 2 punten toe voor de oorzaak en het gevolg.
Mark scheme, page 3
Page 3 Mark Scheme: Teachers’ version Syllabus Paper IGCSE – May/June 2009 0503 01 © UCLES 2009 (f) Beschrijf de problemen die de schrijver ondervindt bij het opstaan (regel 31–36). [3] Hij hijst zich omhoog en steunt daarbij op het bagagenet, terwijl hij zijn voeten tussen de benen van de medepassagiers moet plaatsen. of De dikke man zit in de weg en hij heeft moeite zijn evenwicht te bewaren en er is weinig plaats voor zijn voeten. De kandidaat beschrijft drie ‘problemen’ in eigen woorden. (g) Omschrijf de volgende woorden of zinsdelen: [4] (i) schelle lentepak (regel 5–6) opvallend pak, felgekleurde voorjaarskleren, gekleurd meipak (ii) knikkebolde (regel 6) slapende beweging van het hoofd, je hoofd beweegt op en neer terwijl je zit te slapen, gedurig met het hoofd knikken (door slaap) (iii) vrije zit (regel 14) beschikbare plaats (iv) niet het minste gerucht van stemmen (regel 40–41) geen geluid, geen gepraat Ken 1 punt toe per beschrijving. (h) Waarom zou je kunnen zeggen dat de laatste zin (‘Ik moest ... horen spreken’) een passend slot is voor dit verhaal? [2] Het verhaal eindigt met een zin waardoor de lezer zich kan afvragen wat er verder zal gebeuren. of Het verhaal heeft een open einde en door de laatste zin wordt de spanning opgebouwd. (i) Geef weer hoe de emoties van de schrijver in de loop van het verhaal veranderen. [3] De emoties veranderen van: (i) vermaak, verwondering, verrassing, verbazing, vertrouwdheid naar (ii) schrik, angst, huiver, bevreemd tot (iii) neerslachtig, eenzaamheid De kandidaat beschrijft drie emoties uit de verschillende categorieën. [Totaal = 20 punten voor inhoud + 5 punten voor taalgebruik = 25]
Mark scheme, page 4
Page 4 Mark Scheme: Teachers’ version Syllabus Paper IGCSE – May/June 2009 0503 01 © UCLES 2009 Question 2 • 15 marks are available for Reading: each relevant point extracted by the candidate from the text is ticked. A mark is awarded for each tick up to a maximum of 15 marks (see possible answers below). • 10 marks are available for Writing (see tables below). Schrijf een tekst waarin je de overeenkomsten en verschillen tussen tekst 1 en 2 met betrekking tot de inhoud samenvat. Vestig daarbij vooral de aandacht op het thema stilte en de gevoelens van de schrijvers. Gebruik 200–250 woorden. Writing: Style and Organisation 5 (Excellent) Excellent expression and focus with assured use of own words. Good summary style with orderly grouping of ideas; excellent linkage. Answer has sense of purpose. 4 (Good) Good expression in recognisable summary style. Attempts to focus and to group ideas; good linkage. 3 (Adequate) Satisfactory expression in own words. Reasonably concise with some sense of order. Occasional lapses of focus. 2 (Weak) Limited expression but mostly in own words. Some sense of order but little sense of summary. Tendency to lose focus (e.g. by including some anecdote): thread not always easy to follow. 1 (Poor) Expression just adequate; maybe list-like. Considerable lifting; repetitive. Much irrelevance. Writing: Accuracy of Language 5 (Excellent) Clear, carefully chosen language with complex syntax where appropriate. Varied, precise vocabulary. Hardly any or no technical errors. 4 (Good) Clear, appropriate language. Appropriate vocabulary. Few technical errors. 3 (Adequate) Language generally appropriate, but unsophisticated and generally simple syntax. Adequate vocabulary. Some technical errors. 2 (Weak) Unsophisticated language, not always appropriate. Very simple syntax with some clumsiness. Thin vocabulary. A number of technical errors. 1 (Poor) Thin, inappropriate use of language. Confused and obscure. Many errors.
Mark scheme, page 5
Page 5 Mark Scheme: Teachers’ version Syllabus Paper IGCSE – May/June 2009 0503 01 © UCLES 2009 Question 2 Possible answers: Please note that the following is a list of possible answers. Please note that they are in note-form but that candidates are required to present their summary in continuous prose. Alternative answers may also be credited, if relevant to the task. Let op: schrijver = schrijver tekst 1, columnist = schrijver tekst 2 1 De medereizigers in tekst 1 zijn doodstil, ze slapen allemaal, de medepassagier in tekst 2 maakt lawaai. De andere passagiers die later binnenkomen maken ook lawaai. 2 De schrijver heeft liggen slapen maar de columnist is juist erg wakker en wil gaan lezen. 3 De schrijver wil geen stilte meer maar de columnist wil dit juist wel. 4 De schrijver gaat op zoek naar sprekende mensen, de columnist gaat verder met lezen en spreekt niet met de passagiers die later binnenkomen. 5 Het geluid en de beweging van de trein wordt beschreven in tekst 1, de columnist benoemt geen beweging of geluid van de trein. 6 Bij beide schrijvers lees je mee met hun gedachten en weet je wat ze voelen. 7 De schrijver voelt zich depressief en alleen, de columnist voelt zich eerst zelfverzekerd en later wat machteloos. 8 De eerste tekst is een beschrijving van stilte, de andere van het ontbreken van stilte. 9 De schrijver wil graag contact met de medepassagiers terwijl de columnist met rust gelaten wil worden. 10 De schrijver wil dat de stilte doorbroken wordt terwijl de columnist de stilte wil herstellen. 11 De stilte in de eerste tekst wordt beschreven aan de hand van slapende passagiers terwijl de stilte in de tweede tekst functioneel aangeduid wordt met behulp van pictogrammen. 12 In beide teksten streven de hoofdpersonen iets na dat ze niet krijgen en dat brengt teleurstellende of depressieve gevoelens met zich mee. 13 Beide schrijvers beschrijven een verandering in hun gevoelens. 14 De gevoelens van beide schrijvers zijn aan het begin van de teksten positiever dan aan het einde van de teksten. 15 De sfeer van beide teksten is anders. In tekst 1 is de sfeer benauwend vanwege de stilte waarin de ademhaling van de slapende mensen de ramen beslaat, in de tweede tekst is de sfeer confronterend en zakelijker.
Mark scheme, page 6
Page 6 Mark Scheme: Teachers’ version Syllabus Paper IGCSE – May/June 2009 0503 01 © UCLES 2009 Please note that the following is an example of a possible answer. Beide teksten gaan over stilte; de eerste over de aanwezigheid van de stilte en de tweede over de afwezigheid ervan. In tekst 1 verbaast de hoofdpersoon zich over de stilte van de medepassagiers. Het enige dat de stilte doorbreekt, is het geluid van de trein. In die trein wordt ook de sfeer van het verhaal weergegeven door de beschrijvingen van slapende mensen. Niemand maakt een geluid dat de stilte doorbreekt. De hoofdpersoon gaat daarom op zoek naar stemmen. Daarentegen is er in de tweede tekst wel geluid. De hoofdpersoon verheugt zich in het begin op de stilte in het stiltedeel van de trein. Deze stilte wordt aangeduid met pictogrammen op onopvallende plaatsen in de coupé. Toch wordt deze stilte verstoord als er andere passagiers de coupé binnenkomen. De hoofdpersoon wil de medepassagiers erop wijzen dat er een stiltedeel is maar geeft dat op en aanvaardt zijn nederlaag. Deze ervaringen veranderen de emoties van beide schrijvers. In tekst 1 is de schrijver geamuseerd door al die slapende mensen. Als het schemert, voelt hij zich verward. Hij is geschrokken omdat hij niet weet waar hij is. Vervolgens voelt hij zich alleen en neerslachtig en wil graag contact hebben met medepassagiers. Dit staat in contrast met de hoofdpersoon uit tekst 2 die juist rust wil. In het begin voelt hij zich trots omdat hij voor zichzelf (en de stilte) opkomt. Dat gevoel verandert als er later iemand binnenkomt die gaat telefoneren. De hoofdpersoon voelt zich machteloos maar hij accepteert de situatie.
What you needed in this session
Cambridge’s own grade thresholds for 2009 May/June, Paper 1 · Variant 1. A higher threshold means an easier paper — the bar moves with how the cohort did.