Cambridge IGCSE Dutch - First Language 0503 — 2008 May/June Paper 1 · Variant 1
0503/11/M/J/08 · 50 marks · ≈56 min
The question paper and its mark scheme, free to read here and free to download. This is Cambridge’s own paper, exactly as it was sat.
Question paper8 pages








Mark scheme7 pages
Answers below. Sit the paper first if you are practising.







Paper as text
Question paper, page 1
This document consists of 5 printed pages and 3 blank pages. SP (SLM) T52172/5 © UCLES 2008 [Turn over UNIVERSITY OF CAMBRIDGE INTERNATIONAL EXAMINATIONS International General Certificate of Secondary Education READ THESE INSTRUCTIONS FIRST If you have been given an Answer Booklet, follow the instructions on the front cover of the Booklet. Write your Centre number, candidate number and name on all the work you hand in. Write in dark blue or black pen. Do not use staples, paper clips, highlighters, glue or correction fluid. Answer all questions. You should pay attention to punctuation, spelling and handwriting. At the end of the examination, fasten all your work securely together. The number of marks is given in brackets [ ] at the end of each question or part question. LEES EERST DE VOLGENDE INSTRUCTIES Als je een antwoordboekje/antwoordvel hebt gekregen, volg dan de instructies op de voorzijde. Schrijf je schoolnummer, je kandidaatnummer en je naam op al het werk dat je inlevert. Schrijf met een blauwe of zwarte pen. Gebruik geen nietjes, paperclips, markeerstiften, lijm of correctievloeistof. Geef antwoord op alle vragen. Let op spelling, leestekens en handschrift. Maak al je werk aan elkaar vast, als je klaar bent met het examen. Het te behalen aantal punten staat tussen haakjes [ ] aan het einde van elke vraag of deelvraag. * 5 8 9 1 0 7 8 1 2 6 * FIRST LANGUAGE DUTCH 0503/01 Paper 1 Reading May/June 2008 2 hours Additional Materials: Answer Booklet/Paper www.XtremePapers.com
Question paper, page 2
2 0503/01/M/J/08 © UCLES 2008 Lees de volgende tekst aandachtig door en beantwoord vervolgens vraag 1. Tekst 1 Mijn eigen bananenschil Wij gingen een weekje naar Frankrijk, mijn vrouw en ik. Samen, zonder kinderen, in de auto. Wij hadden een koffer met boeken bij ons en mijn racefiets. Het reisdoel was een hotel in het plaatsje Sainte-Enimie, gelegen aan de rivier de Tarn. Die stroomt door het district Lozère en dat kenden wij nog niet. Het was er heel mooi. De Tarn bleek te bestaan uit onwaarschijnlijk helder water, dat zich klaterend tussen honderden meters hoge rotswanden doorslingert. Ik had mijn vrouw expres niet verteld dat de plaats van onze vakantiebestemming langs de route van de Tour de France lag, maar onmiddellijk na aankomst op 10 juli bestudeerde ik op het routeschema van de wedstrijd waar de renners zouden passeren. Pas daarna zette ik het bad in onze hotelkamer voor haar aan en ging per auto op weg om een stukje van de etappe van 12 juli te controleren. Ze zouden van Massegros komen, afdalen via Saint Rome en dan weer 950 meter stijgen. Daar moest ik gaan staan begreep ik; vlak voor de top en met water bij me, voor de Nederlandse renners. Terug in het hotel gingen wij lunchen, een uurtje met onze blote voeten in de Tarn zitten lezen, anderhalf uur slapen of wat daarvoor moest doorgaan, vervolgens dineren en daarna vroeg naar bed. – Waarom zo vroeg? wilde mijn vrouw weten. – Omdat ik morgen een stuk wil fietsen, zei ik. De Tour de France komt hier namelijk langs, in de buurt. En ik wil even een stukje voelen wat die jongens meemaken. – Ik had het kunnen weten, zei ze. Alwéér dat wielrennen! Als je maar voorzichtig bent. – Maak je geen zorgen, zei ik; ik zal mij niet forceren. Die nacht droomde ik dat ik meereed in de Tour de France waarin ik, door een onwaarschijnlijk lange reeks van tegenslagen, als laatste eindigde. Maar ik kreeg de roodzwarte Duiveltjestrui voor de grootste pechvogel en schreef, voor l’Equipe, een sportblad, een verhaal over mijn avonturen in de Tour de France onder de titel Ik ben mijn eigen bananenschil. Schitterend warm weer, de elfde juli. Ik opende mijn kofferruimte, goot een halve fles water in mijn bidon, schroefde mijn fiets in elkaar, koos een lichte versnelling en zette koers in de richting van Massegros. Als ze hier morgen langskwamen, hadden ze er zeventig kilometer opzitten en moesten ze er nog honderdzevenenvijftig naar de eindstreep. Hoog boven de snelstromende Tarn, waarin je tientallen toeristen halsbrekend zag kajakken, peddelde ik naar de plek, waar de karavaan de volgende dag om plusminus half één zou moeten passeren, tot er om de tweede daalbocht plotseling een Nederlandse auto op mijn weghelft verscheen! De bestuurder moest uitwijken voor drie auto’s die half op de rand van de afgrond en half op de weg waren geparkeerd. De inzittenden stonden juist te verifiëren hoe panoramisch het uitzicht wel niet was. Zijn uitwijkmanoeuvre maakte het mij onmogelijk om tussen hem en de rotswand door te passeren, zodat ik in een flits besloot dat er niets anders opzat dan te remmen. Dat deed ik dan ook, maar omdat mijn linkerhand net op weg was naar de achterzak van mijn wielertrui voor een tabletje vleugelgevende druivensuiker, remde ik alleen met mijn rechterrem (nooit doen!), waardoor het voorwiel ogenblikkelijk gehoorzaam blokkeerde en mijn fiets mij, als een bokkend paard, over het stuur heen van zich afwierp. 5 10 15 20 25 30 35 40
Question paper, page 3
3 0503/01/M/J/08 © UCLES 2008 [Turn over Beantwoord vraag 1 in je eigen woorden. 1 (a) Beschrijf het water van de rivier de Tarn (alinea 1). [2] (b) Waarom remt de schrijver alleen met één hand (alinea 7)? [1] (c) Wat bedoelt de schrijver met ‘het kokende wegdek’ (regel 44)? [1] (d) Waarom heeft de schrijver zijn vrouw niet verteld dat de route van de Tour de France langs hun vakantiebestemming zou gaan (alinea 2 en 3)? [1] (e) Wat bedoelt de schrijver met ‘ik wil even een stukje voelen wat die jongens meemaken’ (regel 19)? [2] (f) Waarom zou je kunnen zeggen dat de schrijver zich tijdens zijn val geen zorgen maakte over de afloop van zijn ongeluk (alinea 8)? [1] (g) Beschrijf in je eigen woorden wat er in de laatste alinea gebeurt. [4] (h) Omschrijf de volgende zinnen of zinsdelen: (i) Ik ben mijn eigen bananenschil (regel 25). [1] (ii) halsbrekend kajakken (regel 30) [1] (iii) tabletje vleugelgevende druivensuiker (regel 39) [2] (i) De schrijver Kees van Kooten staat bekend om zijn levendige en humoristische manier van schrijven. Laat zien hoe deze twee eigenschappen in de tekst voorkomen. Gebruik 100–150 woorden. [4] [Totaal = 20 punten voor inhoud + 5 punten voor taalgebruik = 25] Nog in de vlucht kreeg ik een déjà-vu (ik heb dit al eens eerder meegemaakt en toen moet het ook goed zijn afgelopen want anders zou ik nu deze déjà-vu niet kunnen hebben) en terwijl ik keihard met mijn kop en rechterschouder op het kokende wegdek knalde, zag ik de Nederlandse auto nog net langs mijn fiets scheren en maken dat hij wegkwam. Ik lag daar en kromp in elkaar, durfde mijn hand niet naar mijn hoofd te sturen uit angst dat hij daar vol ketchup weer vandaan zou komen en kon mijn rechterarm ook helemaal niet omhoog brengen, want de minste beweging zond vlammende speren door mijn schouder. Ik krabbelde duizelend overeind en begon vanzelf te dansen van de pijn; verwrongen als een radeloze boeienkoning die zich met zijn laatste krachten tracht te bevrijden uit de boven zijn hoofd dichtgeknoopte, grote juten zak van pijn. 45 50
Question paper, page 4
4 0503/01/M/J/08 © UCLES 2008 Lees nu tekst 2 aandachtig door en beantwoord vervolgens vraag 2. 5 10 15 20 25 30 35 40 Tekst 2 Dagboek van een beroepswielrenner 10 juni Ik was best zenuwachtig voor de openingsdag van De ronde van Italië. Het parcours zou voor het merendeel vlak zijn met slechts aan het einde een steile helling. Nou, ik merkte er anders weinig van want het ging voortdurend op en af. Het tempo was aan de lage kant, zodat ik het kon bijhouden. Toen we bij de heuvels aankwamen, begon het echte werk. Zwoegend reed ik in het peloton naar de eindstreep. Ik fietste helaas niet voorin maar misschien had dat met mijn sluimerende verkoudheid te maken. Deze dag heb ik tenminste overleefd! 11 juni Een beetje gebroken stond ik op: verkouden, keelpijn en vooral weinig energie. Ik voelde me totaal futloos en dan te bedenken dat ik nog moest beginnen aan de rit! Desondanks heb ik alles gegeven en heb ik zelfs nog even op kop gereden, maar uiteindelijk werd ik ingehaald. Na een lange afdaling werd de rit iets gemakkelijker. De laatste toppen vielen weer erg tegen en hebben me volledig uitgeput. Ik ben kapot en verlang hevig naar de rustdag van morgen. 12 juni Hoera, rustdag vandaag! Ik mocht tot tien uur uitslapen. Wat een vergeten weelde! ‘Rustdag’ betekent weliswaar niet dat je niets hoeft te doen. Na een stevig ontbijt reden we met de bus naar de start van de tijdrit van morgen. Het parcours van 60 kilometer was helemaal vlak. Op ons gemak hebben we de route verkend. Tussen de middag hebben we pasta gegeten. Het is belangrijk dat je goed en gezond eet want in zo’n ronde breek je je reserves al snel aan. Ik blijf ook graatmager. ’s Middags heb ik een massage gehad. Daarna ben ik op bed gaan liggen en heb wat tv gekeken. Als beroepswielrenner moet je veel rusten. 13 juni Voor een tijdrit moet je 3 uur van te voren ontbijten, dus was het vroeg opstaan. Omdat ik achterin het klassement sta, moest ik als één van eersten starten. De beste renner start als laatste. Mijn conditie is nog steeds niet op peil, zodat mijn ploegleider besloot dat ik het rustig aan kon doen. Ik heb me daarom niet erg uitgesloofd maar ik kwam toch ruim binnen de tijdslimiet bij de finish aan. Welbeschouwd een goede dag. Nu ga ik wat eten want dat is er vandaag behoorlijk bij ingeschoten en morgen zien we wel weer! 14 juni Een goede nachtrust gehad. Vandaag is de etappe 237 kilometer met veel bergen. De rit begon uitstekend want onze ploeg kon door een ontsnapping snel een voorsprong opbouwen. We vlogen de hellingen af, maar we waren niet de enigen want een Franse ploeg zat ons op de hielen. Toen kregen we pech. Een ploeggenoot nam een zakje eten aan van een toeschouwer en raakte daardoor uit balans, smakte op het asfalt en brak zijn sleutelbeen. (Zelf ben ik één keer gevallen bij de ronde van Brabant en brak mijn arm. Ik was twee maanden uit de roulatie. Dat is knap vervelend want die tijd heb je juist nodig om kleinere wedstrijden te rijden om geld te verdienen.) Na de val herstelde onze groep zich snel. Ik heb mijn functie als knecht eer aangedaan door onze kopman te helpen die na bovenmenselijke inspanningen de etappeoverwinning behaalde! We waren bekaf. Soms denk ik dat ik een etappe niet meer kan uitrijden vanwege de zeurende pijn in mijn benen, maar als ploeg helpen we elkaar dan weer over de streep. Zo’n etappeoverwinning is een zege voor de hele ploeg en dat hebben we gevierd!
Question paper, page 5
5 0503/01/M/J/08 © UCLES 2008 2 Schrijf een tekst waarin je de overeenkomsten en verschillen tussen tekst 1 en 2 met betekking tot inhoud en stijl samenvat. Gebruik 200–250 woorden. [Totaal = 15 punten voor inhoud + 10 punten voor taalgebruik = 25]
Question paper, page 8
8 0503/01/M/J/08 BLANK PAGE Copyright Acknowledgements: Tekst 1 © Kees van Kooten; Meer modermismen; Bezige Bij; 1986. Permission to reproduce items where third-party owned material protected by copyright is included has been sought and cleared where possible. Every reasonable effort has been made by the publisher (UCLES) to trace copyright holders, but if any items requiring clearance have unwittingly been included, the publisher will be pleased to make amends at the earliest possible opportunity. University of Cambridge International Examinations is part of the Cambridge Assessment Group. Cambridge Assessment is the brand name of University of Cambridge Local Examinations Syndicate (UCLES), which is itself a department of the University of Cambridge.
Mark scheme, page 1
UNIVERSITY OF CAMBRIDGE INTERNATIONAL EXAMINATIONS International General Certificate of Secondary Education MARK SCHEME for the May/June 2008 question paper 0503 FIRST LANGUAGE DUTCH 0503/01 Paper 1 (Reading), maximum raw mark 50 This mark scheme is published as an aid to teachers and candidates, to indicate the requirements of the examination. It shows the basis on which Examiners were instructed to award marks. It does not indicate the details of the discussions that took place at an Examiners’ meeting before marking began. All Examiners are instructed that alternative correct answers and unexpected approaches in candidates’ scripts must be given marks that fairly reflect the relevant knowledge and skills demonstrated. Mark schemes must be read in conjunction with the question papers and the report on the examination. • CIE will not enter into discussions or correspondence in connection with these mark schemes. CIE is publishing the mark schemes for the May/June 2008 question papers for most IGCSE, GCE Advanced Level and Advanced Subsidiary Level syllabuses and some Ordinary Level syllabuses. www.XtremePapers.com
Mark scheme, page 2
Page 2 Mark Scheme Syllabus Paper IGCSE – May/June 2008 0503 01 © UCLES 2008 Question 1 • 20 marks will be available for Reading: these will be awarded according to a detailed mark scheme written specifically for each question paper. • 5 marks will be available for Writing (see table below). Tekst 1: Mijn eigen bananenschil 1 (a) Beschrijf het water van de rivier de Tarn. (alinea 1) [2] Het heeft schoon, helder, niet troebel, doorzichtig water. Het water kabbelt. Ken 1 punt toe voor het schone aspect van het water. (1) Ken 1 punt toe voor het geluid dat de rivier maakt. (1) (b) Waarom remt de schrijver alleen met één hand? (Regel 40-41) [1] Hij remt alleen met één hand omdat hij met zijn andere hand iets uit het zakje op zijn rug aan het pakken is. Ken 1 punt toe voor een soortgelijke verklaring. (1) (c) Wat bedoelt de schrijver met 'het kokende wegdek' (regel 45)? [1] Het wegdek is heel erg heet. Ken 1 punt toe voor een soortgelijke verklaring. (1) (d) Waarom heeft de schrijver zijn vrouw niet verteld dat de route van de Tour de France langs hun vakantiebestemming zou gaan? (alinea 2+3) [1] Omdat ze boos zou kunnen worden. of Omdat ze misschien niet van wielrennen houdt. of Omdat ze dan misschien niet daar naartoe had willen gaan. Ken 1 punt toe voor een soortgelijke verklaring. (1) (e) Wat bedoelt de schrijver met 'ik wil even een stukje voelen wat die jongens meemaken' (regel 19)? [2] De schrijver wil graag de ervaring van de wielrenners delen. Hij wil ervaren wat de wielrenners ervaren. Ken 2 punten toe voor soortgelijke verklaringen. (2) (f) Waarom zou je kunnen zeggen dat de schrijver zich tijdens zijn val geen zorgen maakte over de afloop van zijn ongeluk? [1] Hij heeft het al eens eerder meegemaakt in een déjà-vu. Ken 1 punt toe voor een soortgelijke verklaring. (1)
Mark scheme, page 3
Page 3 Mark Scheme Syllabus Paper IGCSE – May/June 2008 0503 01 © UCLES 2008 (g) Beschrijf in je eigen woorden wat er in de laatste alinea gebeurt. [4] De schrijver is flink gevallen en hij heeft zichzelf erg veel pijn gedaan aan zijn schouder en zijn hoofd. Hij ligt op de weg. Hij is bang dat hij een bloederige hoofdwond heeft en hij durft zelfs zijn eigen hoofd niet aan te raken. Als hij opstaat, vergaat hij van de stekende pijn zodat hij niet meer op zijn benen kan staan. Hij danst van de pijn. Zijn hoofd doet enorm veel pijn. Ken 4 punten toe voor een soortgelijke omschrijving. (4) (h) Omschrijf de volgende zinnen of zinsdelen: 1 Ik ben mijn eigen bananenschil. (regel 26) 2 '... halsbrekend kajakken...' (regel 31) 3 'tabletje vleugelgevende druivensuiker' (regel 40) [4] 1 Hij veroorzaakt zijn eigen ongelukken, hij glijdt in feite uit over zijn eigen bananenschil. (1) 2 De toeristen varen (kajakken) zo gevaarlijk dat ze een ongeluk kunnen krijgen. 3 De suiker geeft energie. (1) Het tabletje geeft zoveel energie (1) dat hij veel sneller kan fietsen. (1) Geef 1 punt voor de omschrijving van de energie die de suiker geeft. Geef 1 extra punt als de 'vleugelgevende' suiker wordt omschreven. (i) De schrijver Kees van Kooten staat bekend om zijn levendige en humoristische manier van schrijven.Laat zien hoe deze twee eigenschappen in de tekst voorkomen. [4] Levendige manier wordt geïllustreerd met: - de fiets wordt vergeleken met een bokkend paard of - de beschrijving van het bloed of - de beschrijving van de steken of - zijn gedans wordt vergeleken met dat van een boeienkoning of - de beschrijving van zijn hoofd. Humoristische manier wordt geïllustreerd met: - de droom, de grootste pechvogel of - de titel van het verhaal: ik ben mijn eigen bananenschil of - ‘waar de inzittende ... te verifiëren’ of - de hele laatste alinea is humoristisch en levendig beschreven Ken 1 punt toe per voorbeeld van zijn levendige manier van schrijven. (max 2) Ken 1 punt toe per voorbeeld van zijn humoristische manier van schrijven. (max 2) [Totaal = 20 punten voor inhoud + 5 punten voor taalgebruik = 25]
Mark scheme, page 4
Page 4 Mark Scheme Syllabus Paper IGCSE – May/June 2008 0503 01 © UCLES 2008 2 Schrijf een tekst waarin je de overeenkomsten en verschillen tussen tekst 1 en 2 met betrekking tot inhoud en stijl samenvat. Gebruik niet meer dan 250 woorden. [Totaal = 15 punten voor inhoud + 10 punten voor taalgebruik = 25] Writing: Accuracy of Language 5 (Excellent) Clear, carefully chosen language with complex syntax where appropriate. Varied, precise vocabulary. Hardly any or no technical errors. 4 (Good) Clear, appropriate language. Appropriate vocabulary. Few technical errors. 3 (Adequate) Language generally appropriate, but unsophisticated and generally simple syntax. Adequate vocabulary. Some technical errors. 2 (Weak) Unsophisticated language, not always appropriate. Very simple syntax with some clumsiness. Thin vocabulary. A number of technical errors. 1 (Poor) Thin, inappropriate use of language. Confused and obscure. Many errors. Question 2 • 15 marks are available for Reading: each relevant point extracted by the candidate from the text is ticked. A mark is awarded for each tick up to a maximum of 15 marks (see possible answers below). • 10 marks are available for Writing (see tables below). Please note that the following is a list of possible answers. Please note that they are in note-form but that candidates are required to present their summary in continuous prose. Alternative answers may also be credited, if relevant to the task. 1 De amateurwielrenner en de profwielrenner hebben dezelfde passie:wielrennen. (1) 2 Ze schrijven beide over de sport wielrennen, maar vanuit een verschillend perspectief: prof versus amateur. (1) 3 De schrijvers beschrijven een ongeval met de fiets. (1) 4 Beide wielrenners fietsen in het buitenland. (1) 5 In beide landen vindt een sportevenement plaats; De ronde van Italië en de Tour de France. (1) 6 Je leest met de gevoelens van de schrijvers mee, je weet wat ze voelen en denken. (1) 7 Kees van Kooten beschrijft zijn ervaringen in een verhaalvorm: de profwielrenner in dagboekvorm. (1) 8 De profwielrenner beschrijft 5 dagen uit zijn leven en Kees van Kooten beschrijft er twee. (1) 9 De schrijvers gebruiken verschillend taalgebruik dat de tekst van Kees van Kooten erg humoristisch maakt en het dagboekverslag serieuzer. (1) 10 Kees van Kooten gebruikt veel beeldspraak, zodat zijn verhaal erg levendig en beeldend wordt. (1) 11 De schrijfstijl van Van Kooten amuseert de lezer: de beroepswielrenner informeert zijn lezers. (1) 12 Er komt een déjà-vu in tekst 1 voor, in tekst twee een flashback. (1)
Mark scheme, page 5
Page 5 Mark Scheme Syllabus Paper IGCSE – May/June 2008 0503 01 © UCLES 2008 13 De amateurwielrenner wil graag beleven wat de profs elke keer ervaren, de profwielrenner heeft deze ervaring al. (1) 14 Kees van Kooten is op vakantie met zijn vrouw: de profwielrenner werkt. (1) 15 Kees van Kooten beschrijft het landschap in detail: de profwielrenner vertelt alleen over toppen en dalen. (1) Example answer question 2: Alternative answers are also to be credited, if relevant to the task. Het eerste dat opvalt aan beide teksten is het onderwerp: de sport wielrennen. In de ene tekst beschrijft een amateurwielrenner (Kees van Kooten) zijn vakantiebelevenissen met gebruik van veel beeldspraak en humor. In de tweede tekst schrijft een beroepswielrenner zijn gedachten en avonturen in zijn dagboek op. Ondanks dat hij ook beeldspraak gebruikt, klinkt zijn tekst serieuzer. Desalniettemin informeert hij zijn lezers over hoe hij zich voorbereidt op de ronde van Italië en hoe hij er daadwerkelijk aan deelneemt. Het kost hem erg veel moeite maar hij zet door. De wielrennerfan uit de eerste tekst wil graag de ervaringen van de profwielrenners delen en hij probeert daarom een stukje van het traject van de tour de France uit. Helaas resulteert deze actie in een ongelukkige val die op een zeer komische en levendige manier wordt beschreven. De profwielrenner ervaart ook tegenslagen zoals de val van een ploeggenoot. Beide teksten delen de passie voor het wielrennen en ook de (soms fatale) gevolgen. Ze geven op een subjectieve en levendige wijze de lijdensweg van de wielrenners in een notendop weer. Daarnaast spelen de verhalen zich af in het buitenland en worden ze verteld door de wielrenners zelf. De lezer leest met hun gedachten mee die door het beeldend taalgebruik eenvoudig te volgen zijn. De afloop in beide verhalen is anders; de amateurwielrenner belandt nadat hij een stukje van de route heeft gefietst op de grond, terwijl de beroepswielrenner na een enorme inspanning samen met zijn ploeggenoten de etappeoverwinning van de dag vieren. 250 words Writing: Style and Organisation 5 (Excellent) Excellent expression and focus with assured use of own words. Good summary style with orderly grouping of ideas; excellent linkage. Answer has sense of purpose. 4 (Good) Good expression in recognisable summary style. Attempts to focus and to group ideas; good linkage. 3 (Adequate) Satisfactory expression in own words. Reasonably concise with some sense of order. Occasional lapses of focus. 2 (Weak) Limited expression but mostly in own words. Some sense of order but little sense of summary. Tendency to lose focus (e.g. by including some anecdote): thread not always easy to follow. 1 (Poor) Expression just adequate; maybe list-like. Considerable lifting; repetitive. Much Irrelevance. Writing: Accuracy of Language 5 (Excellent) Clear, carefully chosen language with complex syntax where appropriate. Varied, precise vocabulary. Hardly any or no technical errors. 4 (Good) Clear, appropriate language. Appropriate vocabulary. Few technical errors. 3 (Adequate) Language generally appropriate, but unsophisticated and generally simple syntax. Adequate vocabulary. Some technical errors. 2 (Weak) Unsophisticated language, not always appropriate. Very simple syntax with some clumsiness. Thin vocabulary. A number of technical errors. 1 (Poor) Thin, inappropriate use of language. Confused and obscure. Many errors.
Mark scheme, page 6
Page 6 Mark Scheme Syllabus Paper IGCSE – May/June 2008 0503 01 © UCLES 2008 COMPONENT 2 Candidates will be awarded marks in two categories for each of the two compositions they write: • the first mark is out of 12 for Style and Accuracy: see Table A; • the second mark is out of 13 for Content and Structure: see Table B1, B2 or B3 (depending on the type of composition: Argumentative, Descriptive or Narrative). TABLE A – STYLE AND ACCURACY Band 1 11–12 • Fluent; variety of well made sentences, including sophisticated complex sentences where appropriate, used to achieve particular effects. • Wide, consistently effective range of vocabulary with appropriately used ambitious words. • Assured use of grammar and punctuation, spelling accurate. Band 2 9–10 • Mostly fluent; sentences correctly constructed, including a variety of complex sentences. • Vocabulary often effective, sometimes complex, mostly varied. • Grammatically correct; punctuation mostly correct between and within sentences; very occasional spelling mistakes. Band 3 7–8 • Occasional fluency; sentences of some variety and complexity, correctly constructed. • Appropriate and accurate vocabulary with occasional examples of choice made to communicate precise meaning or to give interest. • Simple grammatical constructions correct; sentence separation mostly correct but other forms of punctuation sometimes inconsistently used; occasional spelling mistakes – but no error of any sort impedes communication. Band 4 5–6 • Sentences tend to be simple and patterns repetitive. Where more complicated structures are attempted there is lack of clarity and inaccuracy. • Vocabulary communicates general meaning accurately. • Some errors of punctuation including sentence separation; several spelling and grammatical errors, rarely serious. Band 5 3–4 • There may be the occasional grammatically complex sentence but mostly these are simple and repetitively joined by 'and', 'but' and ‘so', with other conjunctions being used ineffectively, if at all. • Vocabulary communicates simple details/facts accurately. • Many errors of punctuation, grammar and spelling, but the overall meaning is never in doubt. Band 6 1–2 • Sentences are simple and sometimes faulty and/or rambling sentences obscure meaning. • Vocabulary is limited and may be inaccurate. • Errors of punctuation, grammar and spelling may be serious enough to impede meaning. 0 • Meaning of the writing is often lost because of poor control of language; errors of punctuation, grammar and spelling too intrusive to award a mark in Band 6.
Mark scheme, page 7
Page 7 Mark Scheme Syllabus Paper IGCSE – May/June 2008 0503 01 © UCLES 2008 TABLE B1 – ARGUMENTATIVE/DISCURSIVE TASKS Band 1 11–13 • There is a consistent quality of well developed, logical stages in an overall, at times complex argument. • Each stage is linked to and follows the preceding one. Sentences within paragraphs are soundly sequenced. Band 2 9–10 • Each stage of the argument is defined and developed, although the quality of the explanation may not be consistent. • The stages follow in a generally cohesive progression. Paragraphs are mostly well sequenced, although some may finish less strongly than they begin. Band 3 7–8 • There is a series of relevant points and a clear attempt is made to develop some of them. These points are relevant, straightforward and logical/coherent. • Repetition is avoided, but the order of the stages in the overall argument can be changed without adverse effect. The sequence of the sentences within paragraphs is satisfactory, although opportunities to link ideas may not be taken. Band 4 5–6 • Mainly relevant points are made and they are developed partially with some effectiveness. • The overall argument shows signs of structure but may be sounder at the beginning than at the end. There may be some repetition. It is normally possible to follow sequences of ideas, but there may be intrusive ideas or misleading sentences. Band 5 3–4 • A few relevant points are made and although they are expanded into paragraphs, development is very simple and not always logical. • Overall structure lacks a sense of sequencing. Paragraphs used only for obvious divisions. It is sometimes possible to follow sequencing of sentences within paragraphs. Band 6 1–2 • A few points are discernible but any attempt to develop them is very limited. • Overall argument only progresses here and there and the sequence of sentences is poor. 0 • Rarely relevant, little material, and presented in a disorderly structure. Not sufficient to be placed in Band 6.
What you needed in this session
Cambridge’s own grade thresholds for 2008 May/June, Paper 1 · Variant 1. A higher threshold means an easier paper — the bar moves with how the cohort did.